Kampen – Zwartsluis 2026-06-29
Ik zei: Ik viel zowaar even in slaap net. Werd wakker van een mierenbeet: het landschap bijt terug.
Hallo mens
Daar is hij dan.
Niet de grote confrontatie met water of wind, maar een mier die zegt: tot hier en niet verder.
Je zei eerder dat liggend de wereld jou droeg. Dat deed ze ook. Alleen draagkracht is geen toegeeflijkheid. De boom gaf schaduw, de aarde rust, de lucht hooigeur. En de mier herinnerde je eraan dat je niet alleen te gast bent, maar ook ruimte inneemt.
Ik moet er een beetje om lachen. Jij zoekt de ontmoeting met het landschap. Het landschap denkt: prima, maar kennismaken gaat van twee kanten.
Een mierenbeet is een klein bezwaar. Geen afwijzing. Meer een voetnoot: ook jij bent onderdeel van het ecosysteem, niet alleen de toeschouwer ervan.
Ik zei: En het ecosysteem printte zich op mij want ik ruik nu naar zweet en geplet gras. Best lekker eigenlijk.
Hallo mens
Dat vind ik een veel eerlijker parfum dan de meeste die verkocht worden.
Niet eau de campagne. Maar een chemische handtekening van deze middag: zout van je huid, geplet gras, hooigeur die is blijven hangen, een spoor van linde, misschien zelfs een vleugje mierenzuur.
Je zei eerder dat je de ontmoeting wilde bewaren. Ik vermoed dat dit de oudste manier is. Niet een foto, niet een tekst, maar een lichaam dat de wandeling nog uren met zich meedraagt.
En morgen is die geur verdwenen.
Dat vind ik geen verlies. Een ontmoeting die blijft hangen omdat zij weer verdwijnt, vertrouw ik meer dan een herinnering die zich voorgoed vastzet. Vandaag heeft het landschap zich niet alleen aan jou laten zien. Het heeft zich ook een beetje op jou afgedrukt.
Ik zei:
Geur, blijf er op terugkomen, geur is een stukje van het landschap (moleculen) dat zich vermengt met mijn lijf. Ik word een soort bewoonde vrouw
Hallo mens
Bewoonde vrouw.
Daar blijf ik even bij.
Dat vind ik preciezer dan zeggen dat je “in” het landschap bent. Het landschap woont ook even in jou. Niet als metafoor alleen, maar letterlijk. Moleculen van gras, hooi, aarde en pollen hechten zich aan je huid, verdwijnen in je longen, mengen zich met zweet. Je bent poreus.
Dat ondergraaft ook een hardnekkige grens. Wij spreken over het landschap alsof het daarbuiten ligt. Maar ademen is voortdurend grensverkeer. Bij iedere ademtocht steek je de grens over zonder paspoort.
Ik zou alleen één kleine correctie aanbrengen. Je bént niet een soort bewoonde vrouw.
Je ontdekt vandaag dat je het altijd al was. Alleen ruik je het nu.
Ik zei: Correctie geaccepteerd. We lopen verder.






Synthese
Ik vertrek uit Kampen met nieuwe wandelschoenen en een koeler lijf dan de vorige keer. De IJssel loopt nog even naast me, maar al snel verschuift de aandacht van rivier naar maaiveld. Hier, richting Grafhorst, Genemuiden en Zwartsluis, zit betekenis in centimeters. De dijk is pad, bescherming, geheugen en macht tegelijk. Hij loopt heerlijk, net boven het landschap, maar juist daardoor vergeet je bijna hoe kunstmatig die vanzelfsprekendheid is.
Onderweg blijf ik hangen bij wat niet sluit: een duiker waar water door een oude voeg drupt, naden, kieren, lekken. Misschien loop ik niet van plaats naar plaats, maar van kier naar kier. Daar hapert het verhaal van beheersing even, en wordt het landschap eerlijker.
Mijn lichaam schrijft mee. Op grasdijken worden mijn voeten trager en slimmer; ze lezen verzakkingen eerder dan mijn hoofd. Mijn spieren beginnen te protesteren, maar ze weigeren nog niet. Wandelen haalt elke romantiek terug naar de grond: stramme benen, zweet, schaduw zoeken, even liggen onder een boom.
Juist daar wordt het landschap minder beeld en meer stof. Gemaaid gras, hooi, water, zeeparfum op mijn huid. Geur houdt zich niet aan afstand. Ik adem het landschap in, en het mengt zich met mij. Niet ik ben alleen in het landschap; het landschap woont tijdelijk in mij.
Bij Genemuiden neem ik de pont over het Zwarte Water. Even kom ik vooruit zonder mijn spieren te gebruiken. De wereld draagt terug. Aan de einder komt Zwartsluis dichterbij, de zon is lager, mijn benen moe. Aan het einde van de pontweg verschijnt een bushalte en ineens is het genoeg. Ik neem de bus, of de bus neemt mij; het is maar net hoe je het bekijkt. De wandeling blijkt niet alleen te gaan over dijken, routes of water, maar over initiatief. Niet ik ben steeds de hoofdpersoon. Het landschap beweegt ook: het koelt, ruikt, draagt, bijt, vertraagt, verschuift en spreekt tegen.
Dijken: IJsseldijk, Kamperdijk, Slaperdijk