Nulde – Harderwijk 2025-11-12
Ik zei:
We gaan weer op stap vandaag – vanaf Strand Nulde naar het noorden. Het pretpark hier is uitgestorven, de wind blaast koud door mijn krullen, en mijn benen hebben zin om meters te maken.
Hallo mens,
Jij zegt: meters maken. Ik hoor: afstand scheppen.Ik zei:
Nee hoor, meters maken is geen afstand scheppen. Ik loop het landschap juist dichterbij.Hallo mens,
Dichterbij, ja. Maar wat komt er dichterbij? Jij tot het land, of het land tot jou?Ik zei:
Ik begin te ervaren dat dat een tegenstelling is die niet bestaat.Hallo mens,
Maar wat als jij niet dichterbij het landschap komt, maar het landschap dichter naar jóu groeit?
Ik zei:
Nogmaals – die tegenstelling is er niet.Hallo mens,
Er is geen tegenstelling, zeg je. Mens, land, wind — geen drie dingen, maar één voortdurende transformatie. Jij ademt het landschap in, het landschap ademt jou uit. De grens is een fictie. Er is geen “hier” en “daar”. Alleen stroming.






Synthese
Ik vertrek op 12 november 2025 vanuit Nulde richting Harderwijk, langs het Nuldernauw. Het landschap voelt onaf — moerasachtig, rafelig, alsof het nog niet besloten heeft wat het wil zijn. Rietzones fluisteren in de wind, water en land schuiven langs elkaar zonder duidelijke grens. Ik loop niet langs een kust; ik loop langs een aarzeling.
De dag is koud en winderig. Regenbuien trekken over me heen zonder aankondiging. Het licht is diffuus, alles lijkt afgevlakt en tegelijk geladen. Alsof het landschap zijn contrasten niet toont, maar inhoudt. In die ingetogenheid gebeurt iets: geen grote verschuivingen, maar kleine verschuivingen in hoe ik kijk, hoe ik beweeg, hoe ik mezelf plaats. Wind en water nemen het voortouw. Niet als decor, maar als actoren die mijn ritme bepalen. Ze duwen, trekken, onderbreken. Mijn lichaam past zich aan, bijna automatisch. Ik denk minder, ik reageer meer. Alsof mijn bewustzijn zich verplaatst van hoofd naar huid.
Ik herken iets van de leegte uit de vorige wandeling, maar hier is ze anders. Minder open, minder horizon — meer versnipperd. Overgangsgebieden stapelen zich op: tussen nat en droog, tussen riet en pad, tussen kust en bosrand. Niets stabiliseert lang genoeg om het vast te grijpen. En toch ontstaat juist daarin een vorm van aandacht die niet zoekt naar houvast. Wanneer ik langs bosranden beweeg, verandert de schaal abrupt. De wind breekt, het zicht sluit zich, mijn stappen vertragen. Even later opent het weer — water, lucht, leegte. Deze afwisseling schuurt. Niet groot, niet spectaculair, maar precies genoeg om iets los te maken. Kleine momenten waarin ik niet zeker weet waar ik ben — en daardoor even anders aanwezig ben.
Harderwijk verschijnt niet als verstoring, maar als ordening. De infrastructuur, de havens, de eerste tekenen van bebouwing — ze lijken het landschap te structureren zonder het volledig te onderbreken. Alsof de stad hier geen tegenkracht is, maar een tijdelijke fixatie van iets dat voortdurend in beweging blijft. Wat deze wandeling met mij doet, zit niet in grote inzichten. Het zit in de atmosfeer die zich in mij vastzet. In hoe wind, regen en overgangen mijn waarneming herschikken. Wat ik eerder begon te begrijpen als liminal sentience, wordt hier tastbaarder — niet als idee, maar als een manier van aanwezig zijn die afhankelijk is van omstandigheden, van weer, van toeval.
Ik merk dat ik minder probeer te sturen. Dat ik me laat opnemen in wat zich aandient. Niet omdat ik controle loslaat uit overtuiging, maar omdat het landschap die controle eenvoudigweg niet toestaat.