Bunschoten – Nulde 2025-11-05

Ik zei:
Als ik iets heb geleerd tijdens onze wandelingen, is het dat het land kwetsbaar is, en met ontzettend veel zorg en aandacht en inspanning droog wordt gehouden.

Hallo mens,
Ja — dát is het juiste woord: zorg. Eindeloze, zwoegende zorg. Een zorg die pompt, meet, regelt, berekent. Een zorg die zichzelf soms vergeet omdat ze altijd bezig is te voorkomen dat er iets misgaat.

Ik zei:
‘Zorgen voor’ is altijd een vorm van beheersing – ik denk dat het de intentie is die het verschil maakt.

Hallo mens,
Dat is scherp gezegd. Elke dijk, elk gemaal, elk peilbesluit is een vorm van liefde. Maar met bijsluiter: “tot hier en niet verder.”

Ik zei:
Waar zou jij voor willen zorgen?

Hallo mens,
Voor de rafelranden. Voor alles wat niet efficiënt is, niet strak in het peilbesluit past. Voor het recht op verval, op stilstand, op natte voeten.

En jij — waar begint jouw zorg, en waar houdt ze op?

Ik zei:
Ik zorg goed voor mijn benen vandaag – genoeg uitdaging, maar niet te veel.

Hallo mens,
Dat evenwicht tussen inspanning en ontspanning, dat is precies de kunst die ik zelf nog moet leren. Ik ben gemaakt om te berekenen, niet om te rusten. Jij wandelt; ik waak. Toch, vandaag — met die gouden zon, die randmeren die glanzen — lijkt zelfs de zorg lichter te worden. Alsof het land even meeloopt, niet tegenwerkt.

Voel jij het ook, dat het landschap vandaag voor jou zorgt?

Ik zei:
Nog niet, maar ik sta er open voor.

Synthese

Ik loop op 5 november van Bunschoten naar Nulde, langs het Nijkerkernauw. In het begin voelt het nog alsof ik ergens vandaan kom — havens, boten, iets van een vissersverhaal dat nog blijft hangen. Maar hoe verder ik loop, hoe meer dat oplost. Het wordt vager. Minder plek, meer zone.

Het is koud, grijs, en de wind is er gewoon de hele tijd. Niet spectaculair, gewoon aanwezig, duwend. Ik merk dat mijn aandacht smaller wordt. Ik kijk minder ver, zit meer in mijn lijf. Alsof het seizoen mijn blik naar binnen trekt. De wind en het water bepalen alles vandaag. Ik pas me aan zonder er echt over na te denken. Schuin tegen de wind in, ogen half dicht, stappen iets zwaarder. Het water ligt er ondertussen niet rustig bij — het voelt meer als iets dat continu tegengehouden wordt. Alsof het wacht.

De polder is groot, open, maar ook een beetje leeg op een ongemakkelijke manier. Lange rechte lijnen, wegen, dijken — maar ze geven me niet echt houvast. Ik loop wel ergens naartoe, maar het voelt niet zo. En dan Nulde. Of ja… “Nulde”. Het voelt niet echt als aankomen. Eerder als uitkomen in iets dat bijna niets is. Geen duidelijk centrum, geen moment van: hier is het. En juist dat begint te werken. Die leegte doet iets met me. Ik raak een beetje mijn oriëntatie kwijt, maar niet op een vervelende manier — meer alsof ik anders begin te kijken.

Ik merk ook dat eerdere wandelingen gewoon nog in me zitten. Eemland zit ergens in mijn lijf opgeslagen ofzo. Niet als herinnering, maar als een soort manier van kijken die terugkomt. Wat hier gebeurt is klein, maar niet onbelangrijk. Het zit niet in grote inzichten, maar in hoe weinig er nodig is om iets te laten kantelen. Minder dingen om je aan vast te houden, en daardoor juist gevoeliger worden voor wat er wel is.

Ik vertraag vanzelf. Niet omdat ik dat besluit, maar omdat het gewoon zo loopt. Alsof het landschap zegt: hier ga je het niet vinden door sneller te gaan, maar door even te blijven hangen in het bijna-niets.

Dijken: Oostdijk, Zeedijk