Een Turkse familie van harde werkers

‘Geloof is alles voor mij’, zegt Serdar Calinalti. Dat is vooral een gevoelszaak. In de praktijk komt er van dagelijks bidden niet zo veel terecht: geen tijd. Ook is hij geen moskeeganger. Dat is een beetje Turks, stelt hij. ‘Er gaan veel minder Turkse jongeren naar de moskee dan Marokkanen. 99% gaat niet naar de moskee, bij de Marokkanen is het precies andersom.’ Het vasten schiet er ook bij in. ‘Ik wil het wel, maar ik doe het niet. Als ik niet kan roken, word ik chagrijnig. Dat kan ik mijn klanten niet aandoen‘, zegt de dertigjarige altijd opgewekte Zaltbommelse stations-kioskhouder. ‘Maar voor de elf maanden die overblijven, ben ik echt moslim.’

Serdar is een doener. En een familiemens. Zijn opa en oma, soennitische moslims, emigreerden in de jaren ’60 vanuit midden-Turkije met hun kinderen, en dat waren er veel, naar Frankrijk, België en uiteindelijk naar Nederland. Ze kochten een groot huis in Utrecht waarin de kinderen en de groeiende aanhang met gemak konden wonen. In dat huis groeide Serdar op. ‘We hadden een heerlijke jeugd, met mijn ooms, neven en nichten. We werden niet verwend, maar we kregen alles wat we nodig hadden.’ Zijn familie kwam uit een arm Turks dorp en deed er alles aan om het hier goed te hebben. Zijn opa ging bij Philips werken, zijn vader werd NS conducteur. Daarnaast opende hij een groentewinkel in de Utrechtse Kanaalstraat. ‘Ik ben opgevoed door mijn moeder, mijn vader was er nooit, als hij thuiskwam van de NS ging hij naar de zaak.’ Vanaf z’n dertiende stond ook Serdar na schooltijd achter de groenten-kassa. Er volgden twee tapijtwinkels, een meubelzaak, een snackbar, een restaurant en als belegging een aantal woonhuizen. De inkomsten gingen naar opa, ‘hij was een echte patriarch’. Hij kocht er land voor in Turkije; weggegooid geld, vindt Serdar. Op achttienjarige leeftijd gingen hij en zijn negentienjarige broer zelf de handel in. Hun eerste winkel verkochten ze weer aan een oom, daarna openden ze twee belwinkels en twee keukenzaken. Het was 2008, het werd crisis, de zaken gingen minder goed en Serdar beëindigde het compagnonschap met zijn broer. Uiteindelijk huurde hij in 2012 de kioskruimte van de NS. Als zelfstandige, ‘want onder een baas werken kan ik niet’.

In noodgevallen staan de broers voor elkaar klaar; dat geldt voor de hele familie. ‘In Turkije heb je respect voor elkaar, je zorgt voor elkaar. Familie is alles. Als er iets gebeurt: waarom moet ik naar een bank gaan als ik mijn familie kan vragen?’ Hij hoort het in de kiosk wel anders: jongeren die het huis uit moeten, ouders die niet verzorgd worden. Serdar begrijpt daar niets van. ‘Wij helpen elkaar. Als mijn vrouw bij mijn ouders is, gaat ze vanzelf voor hen zorgen. Zo hoort het toch?’ Hij heeft nog meer meegekregen van thuis. ‘Je moet niemand vernederen. Ik heb hetzelfde karakter als mijn vader, die beledigt niemand. Niemand is hoger dan de ander. Dat is iets van onze familie. Mijn opa was weliswaar patriarch, maar vond wel: iedereen is gelijk, wat hij ook gelooft.’
Serdar trouwde in 2009 met Tugda. Hij kent haar uit de streek waar zijn familie vandaan komt. ‘We komen uit dezelfde cultuur. Je kunt niet zomaar met iemand uit Istanbul trouwen, met een vrouw die veel vrijer is dan wat jij bent gewend.’ Tugda reisde haar man achterna naar Nederland en probeert nu haar universitaire opleiding om te zetten in een Nederlands diploma. ‘Ik heb liever niet dat ze gaat werken. Werkende vrouwen gaan zich anders gedragen, en van mij kan ze alles krijgen wat ze nodig heeft. Maar ik verbied niets! Ik vind het wel belangrijk dat ze voorlopig bij onze zoon blijft.’

De 2,5 jarige Ckivanc is alles voor Serdar. ‘Ik wil dat hij een zelfbewust persoon wordt, dat hij weet wie hij is. Hij moet goed geschoold zijn’, zegt de vader die net grinnikend vertelde dat hij het zelf precies drie maanden heeft uitgehouden op het HBO nadat hij met veel hulp en weinig huiswerk het MBO had gehaald. ‘Geloof is ook belangrijk, dat leren we hem al. Mijn vrouw laat hem op haar smartphone zien wanneer de gebedstijden beginnen. Hij vouwt dan zijn handen samen en zegt: Amen.’ Zijn zoon moet het wat dat betreft verder brengen dan zijn vader. ‘Toen ik een jaar of 12, 13 was ging ik naar de Koranschool, elke dag een uurtje.’ Lang heeft het niet geduurd: ‘Ik kreeg ruzie met de imam, hij zei dat ik iets moest doen en ik kan er niet tegen als iemand mij iets verplicht. Ik ben weggegaan.’ Serdar zal zijn zoon veel leren over Turkije. ‘Ik volg op internet documentaires over de Turkse geschiedenis, over het Ottomaanse Rijk, over hoe democratisch de islam is. Wist je dat niet? Dat komt door de media. Die hebben het alleen over extremisten. Maar dat zijn geen moslims. Je gaat toch niet in naam van God iemand vermoorden?’